U bent hier: Home CCSVI CCSVI: Geschiedenis and tijdlijn

CCSVI: Geschiedenis and tijdlijn

BRON: CCSVI Alliance - Dat de symptomen van MS een fundamentele vasculaire component hebben is geen nieuwe hypothese. Sterker nog, het wordt al 170 jaar door verschillende wetenschappers ondersteund. Auto-immuun theoriëen hebben de meest recente MS onderzoeken gedomineerd, maar de eerste wetenschappelijke onderzoeken naar MS suggereren een vasculaire relatie, zo niet een vasculaire oorzaak. Als gevolg hiervan bevestigt een klein maar belangrijk deel van het onderzoek in de 20e en 21e eeuw – waaronder het werk van Dr. Paolo Zamboni – die observaties van vroeger en breidt ze uit.

Hieronder wordt een korte tijdlijn gegeven van onderzoeken die de vasculaire connectie met MS hebben gedocumenteerd. Degenen die op zoek zijn naar een meer gedetailleerde geschiedenis, aangevuld met discussies over hoe deze vroege bevindingen een rol spelen in het huidige onderzoek, raden wij aan het onderzoek “History of vascular observations in MS” van Dr. E. Mark Haacke te lezen.

1839, Cruveilhier

Volgens Putman[i], een van de pioniers in het linken van vasculaire afwijkingen aan MS in 1936, was de eerste observatie die dit vastlegde een onderzoek van de Franse anatoom Cruveilhier[ii]. Hij vergeleek onderdelen van sclerose met embolie.

1863, Rindfleisch and Charcot

In 1863 deed Rindfleisch[iii] microscopisch onderzoek op delen van hersenen van mensen met MS en noteerde “een gezwollen bloedvat in het midden van elke plak”. In hetzelfde jaar beschreef Charcot[iv] vasculaire obstructie in MS.

1934-1953, Putnam

Putnam onderzocht de effecten van een belemmerde veneuze doorstroming in de cerebrale aderen van honden. Deze dieren ontwikkelden een aantal afwijkingen vergelijkbaar met encefalitis of multiple sclerose. Zijn commentaar was:<[v]

"De gelijkenis tussen deze laesies en veel laesies in gevallen van MS bij mensen is zo opvallend, dat de conclusie bijna onvermijdelijk moet zijn dat veneuze obstructie van essentieel belang is in de onmiddellijke aanloop naar de vorming van typische sclerotische plaques."

Putnam en zijn collega's op de afdeling neurologie in Boston City Hospital, Harvard University en Columbia University bleven de hypothese van schade aan de hersenen en het centrale zenuwstelsel als gevolg van verstoring van de bloedstroom tot in de jaren 1950 onderzoeken.

1942, Dow and Berglund

Dr. Robert Dow en dr. George Berglund vervolgden Dr Putnam's onderzoek: het vinden van verdere veneuze verbindingen naar MS laesies. De auteurs merkten op dat Ribbert[vi] eerder betoogde dat de gedemyeliniseerde gebieden in verband werden gebracht met  trombose. Hij beschreef een geblokkeerd centraal bloedvat in alle sclerotische plaques.

1950, Zimmermann and Netsky

Drs. Zimmerman en Netsky gingen verder met het onderzoek van Dow en Berglund. Zij merkten op dat de letsels inderdaad veneus van aard waren, maar niet werden veroorzaakt door trombose, zoals Putnam had gesuggeerd[vii]

1963, Fog

Dr. Torben Mist, een Deense professor, wees erop dat MS laesies voornamelijk werden gevonden rond de kleine aderen. Fog’s resultaten waren gebaseerd op een samenvatting uit een serie van studies van hersenen na autopsie’[viii], die stelden: "bij 30 plaques bleek dat ze absoluut de loop van de aderen hadden gevolgd, zodat de vorm en dimensies van de aderen dus de vorm, het verloop en de dimensie van de plaques bepaalden.”

1973-1981, Schelling

In 1973 begon F. Alfons Schelling aan de Universiteit van Innsbruck een onderzoek naar de enorme individuele verschillen in de breedte van de veneuze uitlaten van de menselijke schedel. De resultaten van deze studie verschenen in 1978 in "Anatomischer Anzeiger"[ix], van de Duitstalige Anatomische Societeiten.

Schelling’s ontdekte in 1981, in de kliniek voor zenuwziekten in Salzburg, opvallende afwijkingen in de belangrijkste veneuze doorgangen in de schedels bij slachtoffers van multiple sclerose. Deze ontdekking bleef zijn onderzoek de komende decennia domineren. Een cruciale observatie was de veneuze betrokkenheid bij MS en het ontstaan van letsel. Dit was ver voor Dr. Zamboni’s soortgelijke, maar meer gedetailleerde, CCSVI-hypothese. Dr. Schelling stelde dat MS ten minste gedeeltelijk een gevolg van veneuze 'back-jets' (reflux) in het centraal zenuwstelsel kan zijn. Terwijl Dr. Schelling's vroege hypothese nu heel erg relevant lijkt, werd hij toen hij zijn onderzoek publiceerde belachelijk gemaakt, weggehoond of simpelweg genegeerd.

1981 Allen et al.

Verder bewijs van het vasculair-mechanische effect komt uit de opmerkingen van I.V. Allen, die opmerkte dat de brede vaatbedden rond aderen en de centrale verbreding van de veneuze boom indicators waren van intermitterende verhogingen van de cerebrale druk[x].

1987, Adams et al.

C.W.M. Adams, die zich specialiseerde in het bestuderen van microscopisch-weefsel van MS plaque-ontwikkeling ("histopathologie"), leidde een reeks van experimenten in de jaren ‘80 waarin de fundamentele vasculaire aard van MS plaque-ontwikkeling werd bevestigd.<[xi]


1990, Kermode et al.

In een basale publicatie, getiteld “Breakdown of the Blood Brain Barrier Precedes Symptoms and Other MRI Signs of New Lesions in Multiple Sclerosis",[xii] toonden Kermode et al. door middel van vier zorgvuldig gedocumenteerde case-studies aan dat schending van de bloed-hersenbarrière heeft plaatsgevonden vóór aanvang van de symptomen van MS. Kermode concludeert: "Dit ondersteund de opvatting dat een defect in de bloed-hersenbarrière, en dus ontsteking, een vroege en mogelijk cruciale gebeurtenis in de pathogenese van de nieuwe laesie in MS is”. Kermode merkt ook op dat "deze perivasculaire ontsteking [ontsteking rond aderen] ook is gezien in de normaal uitziende witte stof ... dit leidt tot de conclusie dat perivasculaire ontstekingen bij MS kunnen optreden in de afwezigheid van myeline afbraak, en de suggestie dat een vasculaire gebeurtenis een noodzakelijke voorwaarde is voor de ontwikkeling van structurele schade. "

1994, Kwon & Prineas

Zij trachten de bevindingen van Kermode te valideren. Via histologische studies bevestigden Kwon en Prineas dat de schending van de bloed-hersenbarrière verschijnt vóór myeline afbraak.[xiii]

1998, Juurlink

In een hypothetische presentatie[xiv]van B.H.J. Juurlijk van het Cameco MS & Neurologie Onderzoekscentrum in Saskatoon, Canada, werd een enorm breed scala aan onderzoeken samengevoegd die allen MS linken aan de infiltratie van witte bloedcellen in het centraal zenuwstelsel door abnormale vasculaire doordringbaarheid. Juurlink's werk, waarin de rol van hypoperfusie (verminderde bloedtoevoer) werd benadrukt, vormde een sterk argument voor endotheliale afbraak (afbraak van de beschermende laag aan de binnenkant van een bloedvat) als een belangrijke component in de afbraak van de hersen-bloedbarrière. Dit wordt veelal beschouwd als een kenmerk van MS.

2006; 2009, Zamboni; Zamboni et al.

In 2006[xv], voorafgaand aan het suggereren van CCSVI, presenteerde Dr. Zamboni een onderzoek dat wees op de opvallende gelijkenis tussen chronische veneuze aandoeningen (CVD), en MS, met inbegrip van vergelijkbare verbindingen en ijzer/fibrinogeen afzet. In 2009[xvi], gebruikte Dr. Zamboni voor het eerst duplex echografie om een ​​sterke correlatie tussen CCSVI en MS aan te tonen.

2008, Ge et al.

Ge, Zohrabian en Grossman gebruikten state-of-the-art ultra-hoge resolutie imaging technieken om "de periveneuze relatie van MS laesies te beschrijven"[xvii. De details van hun beelden waren nog nooit eerder vertoond. Ze merkten op dat van de 80 laesies die werden onderzocht bij RRMS patiënten, "bij alle letsels een strikte perivasculaire distributie bleek, die de vorm, oriëntatie, en het verloop van de aderen volgden." Zij merkten op dat "deze bevindingen, die nooit zijn aangetoond via conventionele MRI techniek, niet alleen in staat zijn om direct bewijs te leveren van vasculaire pathogenese bij actieve MS, maar tevens belangrijke implicaties hebben voor het toezicht op laesie-activiteit en therapeutische reactie daarop."

McQuaid, 2009

McQuaid, Kirk, et al.. uit Ierland, hebben een decennium lang onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van MS plaques en MS pathogenese. In een samenvatting van hun werk bevestigd McQuad (2009)[xviii]dat: "Disfunctie van de hersen-bloedbarrière een belangrijk kenmerk van MS is." Bovendien merken zij op dat abnormale fibrinogeen lekkage (als hypothese door Zamboni, 2006, hierboven) "een van de vroegste gebeurtenissen in verband met MS laesie vorming is”. Ten slotte stelt hij vast dat “fibrinogeen, dat is gemigreerd over de hersen-bloed barriere door een endotheel disfunctie, cellen in het centraal zenuwstelsel kan reguleren, en daarmee de activiteit van het immuunsysteem.”


Samenvatting

Vanaf de eerste waarnemingen van MS laesies, nu meer dan 150 jaar geleden, tot de meest actuele state-of-the-art histologische en MRI-studies; het verband tussen MS en het vasculaire systeem is duidelijk. Recente bevindingen dat vasculaire dysfunctie, ongeacht de oorzaak, vooraf kan gaan aan zowel T-cel en B-cel activatie en demyelinisatie, helpt ons meer te begrijpen van de complexe wisselwerking tussen het immuunsysteem en vasculaire componenten van MS. Het is te hopen dat het baanbrekende onderzoek dat hierboven is samengevat, gepleegd op vier continenten en al ruim 150 jaar gaande, zal bijdragen tot nieuwe creatieve benaderingen voor het beheren, verbeteren van, en het vermijden van het ontstaan ​​en de progressie van MS.

 


Voetnoten



[i] Putnam (1939). Evidences of vascular occlusion in multiple sclerosis and encephalomyelitis.  Arch. Neurol. Psychiatry 6: 1298-1321.

[ii]  Cruveilhier (1835-1842) Anatomie pathologique du corps humain. Paris, Bailliere, Vol 2.

[iii]  Rindfleisch (1863). Histologisches detail zu der grauen degeneration von gehirn und rueckenmark. Arch. Path. Anat. Physiol. Klin. Med. 26: 474.

[iv]  Charcot (1868) Histologie de la sclerose en plaques.Gaz Hopit Civils Milit. 41: 554-566.

[v]  Putnam (1935). Studies in multiple sclerosis: encephalitis and sclerotic plaques produced by venular obstruction. Archives of Neurology and Psychiatry. 33: 929-940.

[vi]  Dow, Berglund (1942). Vascular Pattern of Lesions of Multiple Sclerosis. Arch Neurol Psychiatry. 1942;47(1):1-18.

[vii]  Zimmerman, H. M., Netsky, M. G.: The pathology of multiple sclerosis. Res. Publ. Ass. Nerv. Ment. Dis. New York 28,

[viii]  Fog (1963). On the vessel-plaque relations in the brain in multiple sclerosis. Acta Psychiat Neurol Scand. 1963; 39, suppl. 4:258.

[ix]  Schelling (1986). Damaging venous reflux into the skull or spine: relevance to multiple sclerosis. Med Hypotheses. 1986 Oct;21(2):141-8.

[x]  Allen et al. (1981). Demyelinating diseases. The pathology of multiple sclerosis: fact, fiction and hypothesis. Neuropath and Applied Neurobiology. 1981; 7: 169.

[xi]  Adams, et al. Periventricular Lesions on Mlutiple Sclerosis: Their Perivenous Origin and Relationship to Granular Ependymitis. Neuropathology and Applied Neurobiology.  1987; 13:41-152.

[xii]  Kermode, et al. Breakdown of the Blood-Brain Barrier Precedes Symptoms and Other MRI Signs of New Lesions in Multiple Sclerosis. Brain. 1990; 113: 1477-1489

[xiii]  Kwon, Prineas. Blood-brain barrier abnormalities in longstanding multiple sclerosis lesions.  An immunohistochemical study. Journal of Neuropathol Exp Neurol. 1994; 53(6):625-36

[xiv]  Juurlink. The multiple sclerosis lesion: initiated by a localized hypoperfusion on a central nervous system where mechanisms allowing leukocyte infiltration are readily upregulated? Medical Hypotheses.  1998; 51:299-303

[xv]  Ge et al. 7T MRI: New Vision of Microvascular Abnormalities in Multiple Sclerosis. Archives of Neurology. 2008; 65(6): 812-816

[xvi]  Zamboni et al. Chronic cerebrospinal venous insufficiency in patients with multiple sclerosis. J Neurol Neurosurg Psychiatry. 2009; 80:392-399.

[xvii]  Zamboni. The Big Idea: Iron-dependent inflammation in venous disease and proposed parallels in multiple sclerosis. Journal of the Royal Society of Medicine. 2006; 6:589-593

[xviii]  McQuaid, et al. The effects of blood-brain barrier disruption on glial cell function in multiple sclerosis. 2 Neuroscience Ireland Conference. 2009; 37: 329-331


Powered by Plone

Deze site voldoet aan de volgende standaarden: